Brugpensioen

Het systeem van brugpensioen werd eveneens door toedoen van de regeringsmaatregelen van eind 2011 grondig hervormd. Nog tot 2015 is een overgangsregeling voorzien. Bovendien mogen we niet langer van brugpensioen spreken maar moeten we het voortaan hebben over “werkloosheid met bedrijfstoeslag”.
In ondernemingen die behoren tot PC 201 en waar meer dan 20 werknemers werken, werd nog net een cao gesloten die werknemers van 58 jaar of ouder die ontslagen worden, het recht biedt met brugpensioen te gaan. Iedereen die nog vóór 31 december 2013 58 jaar wordt, kan het brugpensioen aanvragen op voorwaarde dat hij of zij voldoende loopbaanjaren kan bewijzen. Mannen moeten een loopbaan van 38 jaar kunnen bewijzen. Voor vrouwen gaat het over 35 jaar.
De loopbaanjaren precies optellen, is geen eenvoudige klus. Er zijn immers een aantal gelijkgestelde periodes (ziekte, tijdkrediet, …) die je mag meetellen, maar er zijn ook periodes die je niet of niet volledig mag meetellen. Zo is een jaar deeltijdwerk niet altijd mee te tellen als een volledig jaar. Om een precies zicht te krijgen op het aantal loopbaanjaren, kunnen de medewerkers van het ACV-dienstencentrum je helpen.
Wanneer je in aanmerking komt voor brugpensioen, ontvang je dan een werklosheidsvergoeding van de RVA, met daar bovenop nog een aanvullende vergoeding die je laatste werkgever moet betalen. Die vergoeding is gelijk aan de helft van het verschil tussen het laatst ontvangen nettoloon en de werkloosheidsvergoeding. 
Nog even herhalen dat dit enkel mogelijk is wanneer de werkgever je ontslaat. Als je zelf weggaat, geldt dit niet.
Vanaf 2015 wordt de minimumleeftijd voor het brugpensioen trouwens op 60 jaar gebracht, en kan je pas met brugpensioen na een loopbaan van minstens 40 jaar (mannen). Voor vrouwen komt er een overgangsregeling die start in 2015 met 31 jaar loopbaan. Jaar na jaar komt er telkens 1 jaar bij zodat ook voor hen in 2024 de teller op 40 komt te staan.